CXVII nog niet helemaal

Vorige keer reed Robin met de Zuid-Afrikaan naar huis. Thuis op de bank deed hij een mededeling waar ze van versteende.

In gedachten zie ik mezelf naar het balkon lopen. De deur dicht doen. En verkrampt van ingehouden woede Mees bellen en haar hele voicemail volkrijsen. Dat allemaal om te voorkomen dat ik de Zuid-Afrikaan bij zijn smoelwerk pak en net onder zijn kaaklijn, voor de kijkers thuis rechts, bijt totdat het heel hard gaat bloeden.

Maar dat gebeurt niet. Ik zit nog steeds op de bank. Hij is dus niet onder me vandaag gegleden. Als versteend op die bank. Met buikpijn. Precies op de plek waar mijn riem te strak zit. De opwinding die ik zonet nog voelde toen hij me zoende, is nu een klomp cement geworden.

Wat doet hij hier in godsnaam? Wat doet hij hier? Hoe durft hij me op te wachten om vervolgens deze bom te droppen. Alles voelt ineens zo stom. Dat douchen. Dat scheren. Dat zorgvuldig uitkiezen van mijn kleren. Het gluren om het hoekje. Dat parfum dat ik heb opgespoten. Voor hem. Ik word er misselijk van.

Ik zeg niets. Hoe lang al niet? Ik probeer na te denken. De woede om te zetten in redelijkheid. Wat zei hij Robin? Denk goed na. Wat zei hij precies?

‘Het is niet uit met mijn vriendin.’

Maar dat was het niet. Ik voel de spieren in mijn nek trekken. Ik hoor mijn tanden knarsen. Het voelt alsof ik een sigaret heel vroeg ‘s ochtends op een lege maag in vier hijsen heb leeggetrokken. Het tolt in mijn hoofd. Als ik nu ga staan, dan sta ik niet lang.

‘Hé Robin,’ hij tikt me aan. ‘Hallo, ben je er nog?’

Ik kijk hem aan. Glazig.

‘Je lijkt wel van de wereld,’ zegt hij. ‘Wil je wat water? Ben je niet lekker?’

‘Nee. Ik hoef niks van jou,’ pers ik tussen mijn lippen door.

‘Oh,’ zegt hij. Zichtbaar gepijnigd. Confuus.

‘Wat doe jij hier eigenlijk?’ vraag ik woest. ‘Waarom denk jij dat je zomaar mijn leven binnen kan lopen om me in dezelfde golf mee te sleuren waar we al jaren in zitten? Waar ik bewust uit ben gestapt. Ben ik niet duidelijk genoeg geweest in die mail? Ik heb gezegd dat ik je helemaal wil en anders niet. Geen halfbakken werk, weet je nog?’

Ik herken mezelf niet. Dit zou ik nooit doen. Zo recht op de man af van me af bijten. Maar deze situatie vraagt erom. Dit ben ik mezelf verschuldigd.

‘Je zou ook even kunnen luisteren naar mijn verhaal,’ zegt hij met verheven stem. ‘Als je me even alles laat vertellen, dan snap je misschien waar ik sta.’

Tegengas. Misschien moet ik geen voorbarige conclusies trekken. Laat die jongen zijn verhaal doen. Dat zegt het redelijke deel in me. Mijn zwakke deel. Mijn andere deel beschermt me als een tijger. Bijt als het moet.

‘Wat ik zei’, begint hij, ‘is… dat het nog niet helemaal over is met mijn vriendin. Dat zei ik. NOG NIET HELEMAAL,’ benadrukt hij. ‘En toen raakte jij van de wereld leek het. Maar goed, dat is nergens voor nodig. Want het is nog niet honderd procent over. Maar wel voor 99.8 procent.’

Ik ontdooi.

‘Als ik straks terug ga naar Kaapstad, dan is het alleen nog een kwestie van spullen uitzoeken. Ik zou met haar een trip gaan maken. In Zuid-Afrika. Maar ik kon het niet meer opbrengen. Het werkte gewoon niet meer. Ik heb er heel goed over na kunnen denken. We hebben het er uitvoerig over gehad. Wekenlang. En besloten om die trip niet meer te doen. Zij is in Kaapstad. Ik ben hier. Voor een maand. Om na te denken. Maar mijn besluit staat al vast. Het is over. Ik ben hier. Voor jou.’

‘Dus het is over?’ vraag ik nogmaals.

‘Ja. Het is over. Ik hou niet meer van haar. Al heel lang niet meer. Maar een relatie van zeven jaar is niet iets wat je in een dag naast je neer legt. Daar gaat een heel proces aan vooraf. Ik heb het proces al zo goed als afgerond. Mijn antwoord is pasklaar. Maar dat heeft wel maanden geduurd.’

‘Maar waarom is zij dan nog daar? Waarom is ze niet meteen teruggegaan naar Amerika? Terug naar huis?’

‘Ze wil nadenken. Wachten op mijn antwoord. Ze weet het antwoord al. Want dat heb ik haar al verteld. Ze is bij vrienden nu. Ze gaat misschien met hen een deel van de trip doen die we samen hadden gepland. En wie ben ik dan om haar te verbieden dat te doen?’

‘Nee, snap ik,’ zeg ik.

‘Ben je gerustgesteld?’ vraagt hij.

‘Ja,’ zeg ik.

‘Ik moest dit tegen je zeggen. Je moet weten hoe het in elkaar steekt. Nou zo dus.’

‘Nee, ik snap het,’ zeg ik. En ik voel me lullig. Een beetje begrip. Is dat zo moeilijk? Iemand staat niet voor niets, zomaar uit het niets, voor je neus. Hoeveel duidelijker moet hij nog voor mij kiezen? Een beetje begrip Robin. Relax.

‘Sorry,’ zeg ik. ‘Sorry, voor mijn achterlijke reactie. Het spijt me. Maar je moet ook van mijn kant begrijpen dat dit niet niks is. Ik schrok er gewoon van.’

Hij slaat een arm om me heen. Ik probeer te ontspannen. Maar mijn schouders zijn zo verkrampt. Niet meer van woede. Maar omdat ik me schaam. Omdat ik het hele moment heb verpest door niet goed te luisteren. Als ik gewoon meteen naar zijn verhaal had geluisterd was er niets aan de hand geweest. Aan de andere kant ben ik een tikkeltje trots. Ik laat me niks op de mouw spelden. En dat weet hij nu.

LEES ALLE COLUMNS ROBIN