CXV apetrots
Vorige keer stond de Zuid-Afrikaan ineens voor Robins neus. Verrassing!
‘Ik ben zo blij met je reactie,’ zegt de Zuid-Afrikaan als we naar mijn op de grond gesmeten tassen lopen, vijftig meter verderop. Hij houdt mijn hand vast. Heel stevig. Een droge, ferme, grote hand. Ik voel me net zestien. En ik ben apetrots. Ik zou hem straks het liefst op mijn fietskrat installeren en als een gebraden haan rondfietsen door Amsterdam. Zodat iedereen kan zien dat dit de man is waar ik me zo lang druk om heb gemaakt. En dat dit de man is die helemaal uit Kaapstad over is komen vliegen, om me na weken radiostilte te verrassen. Op een doordeweekse dooie avond.
‘Ik wist echt niet hoe je zou reageren. Je had wel boos kunnen worden,’ zegt hij. ‘Ik was doodnerveus eerlijk gezegd. Ik heb hier uren gestaan. IJsberend over het terrein. Bellend met een vriend. Overleggend of ik nou wel op de goede plek stond. En wat ik moest doen als die bus de hoek om zou komen.’
Hij zucht even. ‘De tijd sloop voorbij. En toen kwam die bus de hoek om rijden. Toen had ik het al helemaal niet meer.’
‘En toen kwam ik die bus uit. Wat dacht je toen?’ vraag ik. Ik wil alles weten. Van minuut tot minuut.
‘Eerst zag ik je niet. Je was een van de laatsen die naar buiten kwam. Maar je ziet er nog precies zo uit als ik me had voorgesteld. Beter eigenlijk.’
Ik ben in een klap weer nuchter. Want ik zie er niet uit. Met Jo’s make-up op mijn hoofd. Helemaal mijn kleur niet. En grauwe huid van de drank en sigaretten van gisteren. Daar moet ik straks even wat aan doen als we thuis zijn.
Ik zie een paar collega’s smoezen. Ze hebben alles gezien. Die zullen wel denken.
‘Noëlle,’ roep ik. Ze draait zich om. ‘Noëlle, ik hoef niet meer met je mee naar huis te rijden. Ik heb een lift.’ Ik glimlach zo hard dat de spieren achter mijn oren beginnen te trekken.
Noëlle kijkt me niet begrijpend aan.
‘Ik heb een lift. Hier,’ en ik stel de Zuid-Afrikaan aan haar voor.
‘Is dit wie ik denk dat het is?’ fluistert ze.
‘Ja,’ smoes ik terug. ‘Dit is hem nou. Ja, ik begrijp het dus ook niet. Maar hij is dus in Nederland. Hij heeft hier uren op me staan wachten.’
We doen net alsof hij er niet bij is. Maar in wezen staat hij naast me. Lichtelijk nerveus. Glimlachend. Met zijn hand in zijn zak.
‘Nou meisje, veel plezier jullie. Oh ja, trouwens. Er staat een enorme file. Je kan beter binnendoor rijden.’
Als we in de auto zitten, de stationcar van zijn ouders, vergaap ik me aan de handigheidjes die zijn moeder heeft gemaakt. Een afvalzakje aan de pook. Een tupperwarebakje met toffee’s waar een stuk uit de deksel is geknipt: ‘Als-ie omvalt bij scherpe bochten liggen die toffee’s niet door de auto heen’. En Wetties.
Dus we hebben het daar over. Over de tastbare dingen. Ja, wat moet je tegen elkaar zeggen? Als je al honderd keer gezegd hebt dat je het niet kan geloven. Als je wordt opgeslokt door de zenuwen van het ongrijpbare dat je net is overkomen? En door het gebabbel over niks, met mijn hoofd in de wolken en zijn hand op mijn bovenbeen, vergeet ik hoe de route ook alweer was binnendoor. Ik heb hem al tien keer gereden. Maar nu hij rijdt ben ik het helemaal kwijt.
Thuis draagt hij mijn koffertje naar boven. En zijn eigen weekendtas om zijn schouder. Ik sluit de deur achter hem en draai hem op slot. Zo. Die kan niet meer weg. Ik heb hem gevangen in mijn huis en laat hem voorlopig niet meer gaan.
‘Heb je heel even een kwartiertje?’ vraag ik als we op de bank zitten met een wijntje. ‘Ik heb zo lang op je gewacht, dat kwartier kan er ook nog wel bij,’ antwoordt hij.
Ik ren naar de badkamer. Doe de deur dicht, haal de make-up van Jo van mijn gezicht en zet de douche aan. Met bonzend hart zeep ik mezelf helemaal in. Dan pak ik mijn scheermes en scheer de boel in een noodtempo helemaal glad. Dat was ook wel even nodig. Het is te stom voor woorden. Hij zal wel denken: ‘Gek wijf, kom ik helemaal uit Kaapstad, gaat ze douchen.’ Maar dat kan me niet schelen. Dat is het risico van een verrassing. Liever dat, dan dat hij de benen neemt van schrik, zodra ik mijn broek uittrek…



















Reacties
ik ben juist super blij voor je robin en was juist hier aan het kijken of je nieuwe column al gepubliceerd stond!
ai. waarschijnlijk willen de lezers toch liever drama en verdriet aan (het gebrek van) de reacties te zien ;-((
Jajajajajajjaajajjaja