CXIX thuiskomen

Vorige keer moest Robin even wennen toen ze wakker werd naast de Zuid-Afrikaan.

Hij is natuurlijk al eerder dit jaar bij mij thuis geweest, terwijl ik aan het werk was. Ik weet dus dat hij er geen zwijnenstal van maakt. Maar ik ga niet mijn huis binnen zoals ik dat doe op een gewone doordeweekse dag. Gedachteloos. Wetende dat al mijn vertrouwde rommel nog door het huis zwerft, het door mij gebruikte kopje nog op het aanrecht staat en het bakje met yoghurtresten vermengd met Weetabix staat uit te drogen in de gootsteen. Omdat ik die ochtend, zoals elke ochtend eigenlijk, te lui ben geweest om het in de vaatwasser te zetten.

Hij stond gisteren volkomen onverwacht voor mijn neus. Mijn huis wás een lichtelijke zwijnenstal. Overal papieren op tafel. Schoenen in de keuken en naast de stoel in de woonkamer. Kleren over de strijkplank. Al mijn badspulletjes buiten de daarvoor bestemde bakjes. En nee, ik heb niet opgeruimd voordat ik vanochtend naar mijn werk vertrok. Die tijd heb ik goed besteed: in bed.

De Zuid-Afrikaan is vanavond bij vrienden in Amsterdam. Hij heeft de hele dag in mijn huis gezeten. Gewerkt op de bank.

Ik draai het slot om en haal diep adem. Het gangetje ligt erbij zoals ik het heb achtergelaten. Niks geks te zien. Ik werp een blik op de tafel. De papieren die er lagen, liggen nu keurig opgestapeld op een hoekje. De stoelen zijn aangeschoven. Alle vesten en truien die erover hingen, zijn verdwenen. De bank is opgeschud. De losse kussens netjes aan de zijkant. De grote rieten stoel, de zitting normaal gesproken bevolkt door tijdschriften en folders, staat er verlaten bij. Het papierwerk heeft plaatsgemaakt voor een kussen.

De afstandsbedieningen liggen keurig in het lood op de tv. De doosjes lucifers (altijd kwijt, dus in grote getale aanwezig) die her en der in vensterbanken, voor de tv en naast de bank een tijdelijke plek hadden, liggen nu opgestapeld in de meest linker vensterbank. Naast het plateau met kaarsen.

De gordijnen zijn open. De blinds opgetrokken. Mijn plant staat er tevredener bij dan gisteren. Ik voel aan de aarde. Die is een beetje vochtig.

Ik loop naar de keuken voor een glas limonade. Geen kopje te bekennen. Een geel doekje hangt opgevouwen over de kraan. Die heeft even daarvoor de kruimels van mijn aanrecht geveegd. Mét schoonmaakmiddel, want dat is van het kastje, naar het aanrecht, naast de zeeppomp, verhuisd.

In de woonkamer en keuken ligt nergens een briefje. En ondanks dat ik heel aangenaam verrast ben door de verbeterde staat waarin ik mijn paleisje aantref, hoop ik ergens toch ook op een briefje.

Al mijn schoenen zijn op hun plek in de gang onder de kapstok gezet. Daar hangen nu ook mijn vesten die vanochtend nog over de stoelen hingen.

Onder het gordijn, naast de slaapkamerdeur naar het balkon, staat zijn tas. Dicht. Met een paar schoenen en zijn laptop erop. Op de houten kast waar de tv staat, ligt een handvol muntjes en zijn iPhone-lader. De kleren die op de strijkplank lagen, zijn niet opgevouwen, maar er netjes overheen gedrapeerd. Onder mijn kledingrek, staat mijn onuitgepakte rolkoffer met spullen van het werkuitje. Dicht. Zodat niemand er zijn nek over breekt.

Het dekbed is teruggevouwen. De kussens opgeschud. Het raam op een kier gezet. Ik kijk onder de kussens. Alle drie. Maar nergens een briefje te vinden.

Eenmaal in de badkamer zie ik dat hij zijn t-shirt, sokken en boxershorts in de wasmand heeft gegooid. Bovenop mijn kleren die er dagen vóór hebben gelegen. Met als doel om er uiteindelijk in te belanden, waar het door haast en luiheid nooit van is gekomen.

Ik loop naar de keuken en pak een bak salade uit de koelkast. Als ik de lade opendoe waar het bestek ligt, weet ik niet wat ik zie: alles keurig in een rijtje in de sorteerbakken. De vorken bij de vorken. De lepels bij de lepels. De messen bij de messen. En al het afwijkende ernaast.

Zelfs de papiertjes van de afwasblokken die ik altijd terug in het doosje doe, omdat ik te lui ben om naar de prullenbak te lopen, zijn verdwenen, merk ik als ik de volle vaatwasser na het eten aan wil zetten.

Als ik even later, onderweg naar de bank mijn laptop openklap, fladdert er een briefje uit:

‘Hé kruimel,

terwijl jij hard aan het werk was, heb ik de boel ‘even aan kant gemaakt’, zoals mijn moeder zou zeggen.

Zie je straks.

X!

p.s. maak jij vast de wijn open? Die staat bovenop de plank.’

Ik loop naar de plank in de keuken. Daar staat inderdaad een fles rood. Uit Zuid-Afrika. Achterop zit een geeltje.

‘Behoeft enige uitleg. Dus wacht op mij, niet helemaal alleen opdrinken!’

En ik tel de minuten af tot hij thuiskomt.

LEES ALLE COLUMNS VAN ROBIN