CXI kutkat

Vorige keer kreeg Robin een mail van de Zuid-Afrikaan terug. Hij heeft nog geen antwoord op haar vraag.

Zoals een tv op standby staat. Klaar om aangepiept te worden. Om zijn kunstje te vertonen. Zo leef ik al een week. Ik sta in de wachtstand. De meeste mensen hebben ‘de wachtstand’ pas door als ze allang weer in de vierde versnelling zitten. Maar ik sta op non actief en weet dat.

Ik werk. Ik fiets. En rook. Laat afhaalmaaltijden komen. Geen peper. Geen zout. Ik kijk naar het weer. Geen regen. Geen zon. Ik ben niet blij. Ook niet verdrietig. Ik voel me volkomen neutraal. En dat is saai. De wachtstand kan nog wel vier weken duren. Daar heb ik me op ingesteld.

‘Wie is er niet bang voor katten?’

Ik sta in de keuken een broodje te smeren als mijn collega Noëlle binnen komt stormen.

‘Euh, ikke niet. Hoezo?’

‘Ik ben net bijna aangevallen door die kat van Robert die ik eten moet geven’, vertelt ze piepend, ‘maar nou ben ik weggevlucht en Snickers heeft geen eten en ik ben ook vergeten om dat kattenluik open te zetten dus nou kan hij niet meer naar buiten. Wil jij met me mee?’

Robert is de baas. Noëlle zijn assistente. En dus opgescheept met het voederen van Snickers nu hij op vakantie is. Noëlle is doodsbang van katten. En dat merkt Snickers natuurlijk.

Ik zie een ritje wel zitten. Op mijn werk kan ik me toch niet echt concentreren. Bovendien is het vakantietijd. Niemand die me een half uurtje mist.

Noëlle kijkt naar mijn voeten. Ik heb sandaaltjes aan. ‘Jij moet dan naar binnen Robin. Hier heb je mijn Hunters. Doe die aan voor de zekerheid.’

Ik kijk haar aan. ‘Kaplaarzen? Ben je gek? Die pas ik niet. Bovendien: ik ben niet bang voor katten.’

In de auto maken we een strijdplan. Eerst door de voordeur om het alarm uit te zetten. En dan gaan we achterom de keuken in.

‘Hier heb je de sleutel,’ zegt Noëlle, ‘ik verstop me achter de heg.’

Gewapend met de sleutels ga ik de tuin in. ‘Snikkels, snikkels, snikkels,’ roep ik grinnikend.

Het poesje gluurt naar me vanachter het luikje. Stoer doe ik de deur open. Ik ben niet bang. Wel lichtelijk nerveus. Maar ik laat niks merken. Althans. Dat hoop ik.

Snickers komt naar buiten en gaat in het gras liggen woelen. Hij aait zich al kopjes gevend om mijn benen heen en mauwt heel lieflijk naar me. Ik hurk. Dat vinden katten prettig. We kroelen even. Ik snap niet waar Noëlle zich nou zo druk om maakt.

‘Kijk, hij is hartstikke lief.’

Als ik het kattenluikje open heb gezet zodat hij naar binnen én naar buiten kan, loop ik de keuken in om de voederbak met timer (die vijf dagen lang elke dag een beetje verder open schuift zodat je de kat niet dagelijks hoeft te voederen) te vullen. Ik pak de zak voer uit de gootsteen, gooi het in de bak en doe het deksel er weer op. Dan hoor ik een krijsend miauwen dat niet op lijkt te houden en voel twee voorpoten met uitgestoken vlijmscherpe kattennagels zich in mijn rechtervoet vast haken.

In paniek kijk ik naar beneden. Ik schreeuw. Het lijkt wel een poema op een weerloze prooi. De poema is die klote-Snikkels en de prooi dat is mijn voet. Ik trap en schud tegelijk in de hoop dat beest van me af te krijgen. Met ontblote tanden grijpt hij naar mijn vel en al slaand met zijn poten probeert hij zich een weg naar mijn enkelbot te banen. Ik jank. Geloof ik. En ik zweet. Na drie keer trappen merk ik de sleutelbos op die ik nog in mijn handen heb. Ik gooi hem keihard op mijn voet. Raak. Piepend schiet het monster naar buiten.

Noëlle staat nog steeds achter de heg. ‘Jezus, gaat het?’

Snel gooi ik de deur dicht, samen rennen we naar de auto en laten de deuren met een smak in de portieren vallen. Eindelijk veilig. Ik kijk naar mijn suède sandaaltjes. Die lopen vol met bloed. Dat valse kreng met territoriumdrift heeft me goed geraakt.

Ik vloek. Noëlle voelt zich schuldig. Ze trakteert op ijs en verbindt mijn voet als we terug zijn op kantoor. We kunnen er gelukkig wel heel hard om lachen.

Het had een beetje een jammere afloop, maar dat debacle met de kat was een uitje. Iets om de wachtstand draaglijker te maken.

Ik moet blijkbaar bloeden om iets te voelen.

LEES ALLE COLUMNS VAN ROBIN