C. Mijn opa

Vorige keer werd Robin gebeld. Het gaat helemaal niet goed met haar opa.

Ik ben met 150 kilometer per uur naar opa toe gescheurd. Maar als de deur wordt opengedaan zie ik het meteen. Ik ben te laat.

In de uren die volgen is het eigenlijk op een gekke manier best gezellig. Iedereen druppelt binnen. De een maakt soep. De ander huilt. De hond neemt snuffelend afscheid. De begrafenisondernemer is er als de kippen bij. Hij regelt vreemde mensen. Zwaargebouwde mannen op leeftijd. In zwart pak. Met lompe zwarte schoenen met stompe neuzen. Ze schudden ons de hand en zeggen ‘gecondoleerd’. Ze dragen opa naar boven. De deur naar de gang gaat dicht. Zodat wij niet hoeven te kijken. Ik roer een beetje in de soep en maak me zorgen. Opa had het al niet op mannelijke verplegers. Maar hij zou het al helemaal niet prettig vinden om voor de laatste keer te worden aan- en uitgekleed door een stel kleerkasten. Gelukkig gaat de lieve verpleegster samen met mijn tante mee naar boven.

Met mijn nichtje ga ik naar de supermarkt. In de auto zegt ze: ‘Weet je nog dat we uit eten gingen en de ober vroeg of opa de wijn wilde proeven?’ Dat weet ik nog precies: Opa antwoordde ‘laat mijn vrouw die wijn maar proeven, die heeft toch geen smaak’ onderwijl knipogend naar ons. Wij lagen onder de tafel van het lachen. Zo komen er nog wel tien heerlijke herinneringen boven. Van toen we jaren geleden met zijn allen op vakantie waren en mijn ene nicht een navelpiercing had genomen. Opa vond het te belachelijk voor woorden, maar liet er niks van merken. Nee, hij kwam gewoon vijf minuten later aan het zwembad met zijn trouwring met een plakbankje op zijn buik geplakt. Zo was opa. De lolbroek van het stel. Een charmante rijzige man met lange benen, een gouden bril en gladgekamde haren. Het kammetje droeg hij altijd mee in zijn borstzak. En als er niemand keek dan legde hij zijn haren in een vloeiende beweging in model.

Ik danste op zijn voeten en later in zijn armen. ‘Robin’, zei hij dan. ‘Je moet het loslaten, ik leid de dans. Niet jij. Ontspan.’ Ik kan nu nog steeds niet dansen. Wil altijd de leiding hebben. Dat heb ik dan van opa.

Met open mond bekeken we nog niet zo lang geleden de zwartwitfotoboeken uit hun gouden jaren. Toen oma nog heel jong was en met Elnett bespoten haren en een prachtige lange robe aan het zakendiner zat. Opa met een Mad Men-kapsel in smoking ernaast. Zilver servies en beschilderde porseleinen bordjes. Dramatische kandelaren en sigaretten in een koker. Fotografen met oude camera’s met grote flitslampen erop. En gasten die zwierden op de klanken van het kamerorkest.

‘Opa vertel nog eens’ en dan begon opa te vertellen met een slap whiskytje ernaast. Over hoe hij oma had veroverd in de Cadillac van zijn vader aan de boulevard van Scheveningen. Oma moest om tien uur thuis zijn. En dan viel oma hem bij. ‘Ik moest om tien uur thuis zijn en glipte als opa de hoek om was en mijn ouders me in bed waanden, uit het slaapkamerraam om met een andere vrijer te gaan zwieren. Want je denkt toch niet dat opa mij meteen voor zich won? Nee heus niet hoor. Ik was toen nog veel ondeugender dan nu. Ik vond het ook eigenlijk helemaal niks zo’n lange man. Maar ik stemde ermee in om met hem uit te gaan. Ik leende de schoenen met hakken van mijn zuster en stopte watten in de neuzen. En toen wilde opa met me dansen. Dat ging natuurlijk helemaal niet goed met die veel te grote schoenen.’

Maar het ging wel goed. Niet met en niet zonder elkaar. Zesenvijftig jaar lang. Iets waar wij kleinkinderen voorlopig alleen maar van durven dromen.

Die dag lachen we en we huilen. We waken en we drinken. We plannen en we eten en we luisteren muziek. ‘s Avonds slapen we met zijn allen bij opa en oma thuis. Iets dat al heel erg lang niet is voorgekomen.

Ik denk dat opa rustig slaapt. En glimlacht als hij dit eens zou weten.

LEES ALLE COLUMNS VAN ROBIN