maa17/102011

robin

LXIII laatste strohalm

Vorige keer heeft Robin de Amerikaan gedag gezoend en hem achtergelaten op het strand.

Het is twee uur ’s middags als Mees belt.
‘Hoi,’ zeg ik. Niet zo enthousiast als de afgelopen tijd, maar leeg, dof en afgemeten. Precies zoals ik me voel.
‘Hoi met mij, weet je wie hier net op de zaak was?’
‘Nee.’
Ze laat een stilte vallen, alsof ik in de tussentijd een briljante ingeving krijg. Die komt niet.
‘Nou?’ vraag ik.
‘De Amerikaan.’
‘Wat?’
‘Ja, de Amerikaan. Hij had een afspraak hier.’
Er begint me iets te dagen. Nadat we met zijn drieën op het terras hebben gezeten een paar weken geleden, heeft Mees een afspraak voor hem geregeld met haar baas. Hij wilde graag een oriënterend gesprek over een internetdienst die hij naar Amerika wil halen ofzo.
Die afspraak was dus vandaag.
‘Wacht even, ik loop naar buiten.’
Mees weet nog van niets.
Ik ben gisteren verdoofd terug naar huis gereden. Eenmaal binnen heb ik een Aspirine tegen de pijn genomen, want godsamme, wat doet janken pijn aan je kop. Tranen inhouden zet pijnlijke druk op je hersenpan, maar tranen laten gaan is ook geen pretje achteraf. Zonder mijn tanden te poetsen of make-up eraf te halen ben ik met mijn hoofd onder de dekens gaan liggen. Ik had zelfs van ellende mijn sokken nog aan. Ik viel in slaap. Best snel ook, gek genoeg. Om vanochtend met nog meer koppijn wakker te worden.
‘Ben je er nog?’ vraagt Mees.
‘Ja ik ben er weer.’
‘Ja de Amerikaan was hier net. Jeetje, wat zag hij eruit zeg. Alsof hij door een vrachtwagen was overreden.’
‘Ja, dat kan wel. Wat zei hij?’
‘Ik heb even kort met hem gesproken. Hij heeft het verteld.’
‘Wat zei hij dan precies?’ vraag ik.
‘Nou ja, over gisteren. Dat jij hem hebt verteld dat je verliefd op hem bent en dat hij dat, zeg maar, niet kan beantwoorden. Of nou ja, niet op de manier waarop jij het had bedacht.’
‘Oh? Ja. Zo was het inderdaad. Wat zei hij nog meer?’
‘Nou dat hij het vreselijk erg vond. En dat hij zich rot en schuldig voelt.’
‘En?’
‘Nou dat hij helemaal gek op je is. Dat je de leukste, liefst, grappigste vrouw bent die hij kent.’
‘Nou, nou.’
‘En dat hij blij is dat ik je vriendin ben. Hij vroeg of ik je op wilde vangen. Waarom heb je niet gebeld gisteren?’ vraagt Mees bezorgd.
‘Ik had er even geen behoefte aan. Sorry.’
‘Zei hij niks over zijn vriendin?’
‘Nee, daar hebben we het niet over gehad. Het was ook een beetje vreemde situatie. Hij ging gewoon zijn verhaal zitten doen, terwijl er collega’s van mij naast zaten. Maar wat moet hij over haar gezegd hebben dan?’
‘Niks, dat vertel ik een andere keer.’
‘Hoe voel je je nu?’
‘Ja klote. Je wilt niet weten wat er allemaal is gezegd en gebeurd gisteren. Ik heb hem verdomme de liefde verklaard. Ik heb echt alles gezegd wat ik wilde zeggen. En nou ja, het kwam erop neer dat hij mij ook leuk vindt, maar er verder niets mee kan.’
‘Godver. Ik vond jullie zo leuk samen.’
Mees meent het.
‘Dat waren we ook. Maar ja, helaas, zo gaan die dingen.’
‘Je bent zo mat.’
‘Ik weet het. Maar ik ben even uitgejankt als je het niet erg vindt. En ik moet weer aan het werk.’
‘Ja natuurlijk. Ik kom vanavond om zes uur langs. Goed? Dan moet je me alles vertellen.’
‘Is goed. Ik denk dat jij eerder bent. Je weet waar de sleutel ligt hè?’
‘Jes, ik laat mezelf binnen. Tot straks.’
Ik worstel me door de dag heen. Als ik in de auto zit belt Mees.
‘Ik ben in je straat,’ zegt ze gelaten.
‘Ok?’
‘Sorry, ik zou willen voor je dat het anders is. Hij staat er niet.’
Mees kent me te goed. Ik heb niets gezegd, toch weet ze dat ik hoop dat hij voor mijn deur wacht, om alles ongedaan te maken. Zoals in een film.
‘Hmmm, dacht ik al. Wil je voor de zekerheid even in mijn brievenbus kijken?’
Ik kan straks ook zelf kijken, de hoop wat langer rekken. Maar korte pijn is beter heb ik besloten.
Het duurt even voordat haar fiets op slot staat.
Ik hoor het klepperen van de bus.
‘En?’
‘Nee niks.’
Ik zucht.
‘Ok, tot zo.’
Hij zit in het vliegtuig. Ja, hij zit in het vliegtuig. Hij is op weg naar New York. Geen briefje. Geen spijt. Geen verandering van gedachten. Geen reden meer om hier te blijven.
Of toch? De laatste strohalm: hij staat bij mijn garage. De garage waarvandaan we gisteren naar het strand vertrokken. Waar hij op het stoepje op mij zat te wachten omdat ik terug naar huis moest fietsen om mijn vergeten sleutel op te halen.
In de laatste vijfhonderd meter maak ik mezelf nog gekker dan ik al ben. Ik weet hoe bezopen het is. Hoe dom. Hoe onwerkelijk. Hoe filmisch. Hoe slecht. Ik kan mezelf wel slaan. En toch hoop ik dat hij er staat.
Ik ga de bocht om en zie het in een oogopslag.
Het stoepje is leeg. Op een ingedeukt blikje Red Bull na.

Lees de volgende aflevering

LEES ALLE COLUMNS VAN ROBIN

Reageer

Reacties

Er zijn nog geen reacties op dit artikel.

Reageer