maa11/072011
robin
XXXXIX lekke band
Het is vijftig kilometer rijden naar de plek waar het busje ons komt halen. Het busje dat ons naar het station brengt vanwaar we nog eens tweeëntwintig uur in een touringcar zitten naar Rio.
Vijftig kilometer zanderig pad, met aan weerszijden water en gaten in de weg, strekt zich voor ons uit. Gaten zo groot en dicht op elkaar, dat je uit een reflex je buik vasthoudt om te voorkomen dat je nieren eruit schudden.
Een paar weken eerder is een brug ingestort vanwege de aanhoudende stortregen. Die wordt nu door het leger gemaakt, maar tot die tijd manoeuvreert de enkele auto die in het gebied rondrijdt, over los van elkaar bewegende vlotten naar de overkant. Wij worden voor de drijfbrug tot uitstappen gemaand. We zijn te zwaar en bovendien is het te gevaarlijk om te blijven zitten, zegt Alex die naast gids ook voor chauffeur speelt. In ganzenpas lopen we, Mees, de vier Duitsers en ik, achter de auto aan naar de andere kant van het water.
De militairen groeten ons met een korte knik.
We zijn zo’n dertig minuten verder als ik voel dat er iets goed mis is. Alex stapt uit en laat de motor ronken. Maar zijn vloeken overstemt het geluid van de motor.
De linkerachterband is plat als een dubbel. Alex begint het pad af te lopen met zijn telefoon naar de hemel geheven. Maar hoe ver hij ook gaat: geen signaal.
Er is geen reserveband. Ook geen satelliettelefoon. Wat mij betreft een probleem, maar Alex blijft uiterst ‘calma’.
Het is tweeënhalf uur lopen naar de volgende pousada, daar gaat hij bellen. Of ik hem wil vergezellen? Nee bedankt. Wij blijven hier.
Er is geen schaduw in de buurt. Mijn T-shirt is vochtig op alle plekken waar het mijn lijf raakt. We poedelen met onze voeten in een lauw stroompje, als zes kleine kleuters op een
rij.
Niemand zegt wat. Wat valt er ook te zeggen? We zijn aan ons lot overgelaten. Zes Europeanen. In de Pantanal. Zonder schaduw. Dan kun je je maar beter niet druk maken.
Sowieso is je druk maken om zoiets onbenulligs als tijd of regen bijvoorbeeld, in Brazilië verspilde energie. Alles laat hier namelijk lang op zich wachten en als het regent blijft men thuis. Al heb je een date, een afspraak met je vrienden om voetbal te kijken of een begrafenis. Als het regent wacht je binnen tot de wolken zijn overgewaaid. Pas dan gaat het leven, of in de sommige gevallen de dood, weer zijn normale weg.
Maar het regent niet. Regende het maar.
‘Die bus gaan we missen,’ zeg ik tegen niemand in het bijzonder.
‘Dat denk ik ook ja. Maar, wat maakt het uit? We zijn in Brazil,’ probeert Mees de moed erin te houden.
Ik haal mijn voeten uit het water, mijn tas uit de auto en begin midden op de stoffige zandweg, kalmpjes met het lakken van mijn teennagels.
Die zijn kurkdroog als na ruim twee uur wachten een pick-up truck ons tegemoet komt rijden. We laden de tassen in en gaan verder. De Duitsers op de achterbank. Mees en ik in het laadgedeelte op de tassen.
De bus naar Rio hebben we inderdaad gemist. We moeten op het station overnachten. Die verlaten, betonnen plek is wat mij betreft geen optie. We proberen het verderop in het dorp.
In een internetcafé doden we de tijd nadat we zijn ingecheckt in een hostel zonder andere gasten.
Ik heb mijn mail al een week niet gecheckt. Een record voor mijn doen. Lekker rustig ook, maar toch kan ik het niet laten. Als ik mijn hotmail open is het al te laat. Er schiet een schok door mijn lijf. Vreugde ook, meteen gevolgd door besef. Had ik mijn mail nou maar laten rusten.
Het is weken geleden dat ik hem heb verdreven. In Nederland kwam hij nog af en toe terug. Maar hier aan de andere kant van de wereld was hij geen leidend voorwerp meer in mijn gedachten.
‘Hoi.’ Staat er in het onderwerp.
Afzender: De Amerikaan.
Wat nu weer?
En waarom?



















