maa24/012011

robin

XXXI liegen dat het gedrukt staat

Robin is De Amerikaan achterna gerend en ze heeft hem gevonden.

“Zeg, niet om het een of ander hoor,” fluistert De Amerikaan, “maar zie je er altijd uit alsof je zo uit je bed bent gerend?”
Ik grinnik schaapachtig.
Voorzichtig maak ik me los uit de omhelzing die voelde als een eeuwigheid en terwijl ik een beetje beschaamd naar mijn blote benen kijk verzin ik het meest logische excuus dat in me opkomt.
“Goed dat je het vraagt,” begin ik. “Het zit zo. Mijn moeder is op bezoek. We zijn gisteren naar het theater geweest en ze is blijven logeren.”
Geloofwaardig liegen valt of staat bij de manier waarop je kijkt. Ik kijk De Amerikaan dan ook zo recht mogelijk aan. Niet links langs zijn gezicht. Niet rechtsboven naar de lucht. Bewust priem ik mijn ogen vast in die van hem en laat de gelogen woorden mijn mond uit rollen.
“Ze is nu ook nog bij mij thuis. Ze zal wel denken, waarom rent mijn dochter ineens weg zonder broek aan, maar dat leg ik haar nog wel uit.”
Ik stop even. Ben ik aan het ratelen? Aan de niet begrijpende blik van De Amerikaan te zien wel.
“Ik heb trouwens wel een broek aan hoor. Kijk maar.” Ik licht mijn jas een stukje op. “Niet dat je denkt dat ik geen broek aan heb. Ik heb dus een broek aan. Maar wel een korte. Een pyjamabroek.”
“Ja, ja, ik geloof je. Maar je had toch ook gewoon de deur voor me open kunnen doen?”
“Had gekund. Maar ik dacht: jij hebt vast geen zin om meteen mijn moeder te ontmoeten. Ik bedoel, dat kan altijd nog. Toch? Bovendien zat zij ook nog in pyjama.”
Word ik rood? Ik voel onopvallend aan mijn wang alsof ik haar uit mijn gezicht strijk. Hij gloeit.
“Dus je wist dat ik het was die voor de deur stond?”
“Ja, ik heb uit het raam gekeken en toen zag ik je staan. En toen ik je weg zag lopen besefte ik dat ik toch even achter je aan moest.”
Dit is waar. Dit is niet gejokt.
“Ok…”
“Snap je?”
“Ik geloof het wel.”
“Mooi.”
Net als ik opgelucht adem wil halen omdat hij nu uit zichzelf wel zal bedenken dat dit dus niet het juiste moment is om met me mee naar huis te gaan zegt hij:
“Ik ben reuze benieuwd naar je beroemde cappuccino.”
Ik had het kunnen weten. De eerste man die aan je gezicht kan zien, of aan subtiele hints merkt, of ruikt desnoods, wat je bedoelt, moet tenslotte nog geboren worden.
“Logisch, mijn cappuccino’s zijn tien keer lekkerder dan die van de Starbucks.”
“Nou kom op dan. Ik heb uren in het vliegtuig gezeten om jouw koffie te proeven.”
Hij pakt mijn hand en maakt aanstalten.
“Nee,” zeg ik resoluut. Iets te hard. En vastbesloten.
“Wat?”
“Nee, geen goed plan. Ik heb een veel beter idee. Jij vermaakt je even in de stad. Ga rondstruinen. Winkelen. Naar de film desnoods. En dan spreken we over twee uurtjes af op het Spui.”
De ratelmachine komt weer op gang. Ik kijk hem aan zoals ik vroeger mijn ADHD oppaskind aankeek als ik hem ervan probeerde te overtuigen dat een banaan echt veel lekkerder is dan de chemische snoepjes die zijn moeder mij verboden had te geven.
“Twee uurtjes. Die zijn zo om. Je kan over de grachten wandelen. De Negen Straatjes ontdekken. Koffie halen bij de Coffee Company. Krantje lezen. Hartstikke leuk.”
Hij kijkt een beetje teleurgesteld.
“Hier, dan koop je bij dit winkeltje even een kaart.” Ik wijs naar de sigarenboer. “Dan teken ik uit hoe je naar het Spui loopt. Met een paar kruizen op plekken die je niet moet missen.”
“Jij denkt dat ik achterlijk ben hè?”
Hij lacht er niet bij.
Hij vraagt zich echt af of ik denk dat hij gek is. Ik voel me keihard door de mand heen vallen. Mijn moeder. Theater. Pyjama. Hoe kom ik erop? Wat een slechte smoes. Ik zou er zelf ook niet intrappen.
“Hoe bedoel je?” vraag ik bedeesd.
“Ik weet prima de weg hier. Ga jij maar lekker naar huis. Je moeder eruit bonjouren, douchen, haren wassen, benen scheren, opmaken, een broek aantrekken en dan zie ik je over twee uurtjes op je paasbest op het Spui.”
Hij bedoelt het niet sarcastisch.
“Ik snap wel íéts van vrouwen hoor.”
Hij geeft me een knipoog, draait zich om en vertrekt.
Er valt een enorme last van mijn schouders. Één probleem is opgelost. Nu Tom nog laten verdwijnen.
Ik werp een vlugge blik op mijn benen. Zou hij hebben gezien dat ze niet zo netjes zijn geschoren?

Lees afl. XXXII ‘Goeie plekjes’

Reageer

Reacties (6)

  1. Annet | 29/01/11 | 15:52

    Och nee, het was toch zo leuk met Tom? Wat mot je nou met die Amerikaan?

  2. Lonny de Schrijver - Verbrugge | 28/01/11 | 15:50

    Nee toch? Toch niet weer de Amerikaan? En je had net zo'n leukerd aan de haak geslagen...

  3. carina | 25/01/11 | 18:14

    jeetje, dumpen die amerikaan, gaan voor die leuke tom!!

  4. Deborah | 25/01/11 | 08:28

    Eens met eveline, Tom lijkt me veel en veel leuker!!

  5. Eveline | 25/01/11 | 07:49

    Jammer. Tom lijkt me veel leuker!

  6. Bibi | 25/01/11 | 00:10

    Mmm... t blijft spannend!...

Reageer