maa20/122010
robin
XXVI de koets
Robin heeft met Mees een ludieke tegenactie bedacht. Ze haalt Tom van het station in een koets.
Plok. Plok. Plok. Plok-plok. De hoge hoed van de koetsier beweegt in het ritme waarop de hoeven op de klinkers landen. Een loom, ritmisch geluid met een dubbele klik. Ik leun naar voren om te melden dat er een ijzer los zit. De koetsier bromt terug dat er morgen wat aan gedaan wordt. Ik geloof er geen fluit van, maar er zijn andere dingen om me druk om te maken dan de hoefbehandeling van de zweterige, dikke stadsknol met de blonde behaarde benen die me voorttrekt.
De leer- en zweetgeur, die ik normaal gesproken wel kan waarderen, staat me tegen. Ik zou prinsheerlijk moeten zitten in een koets door Amsterdam, maar in plaats daarvan veeg ik mijn natte handpalmen af aan de broek die al een week lang klaar heeft gehangen en vraag me af of dit hele paardenkoetsverhaal nou wel zo’n goed idee is. Ben ik mezelf niet verloren in een scène uit een romantische komedie? Het lijkt ook wel of iedere voorbijganger naar me kijkt.
Bij het station aangekomen houdt de koetsier stil op de afgesproken plek. Ik knijp mijn ogen dicht in de hoop Tom beter te kunnen zien. Het paard briest tevreden. Zo staan we een tijdje te wachten. ‘Zeg mevrouw,’ zegt de koetsier. ‘Hoe lang nog? Het paard vat kou.’ ‘Nog even meneer. Heel even. Hij komt er zo aan.’ Ik kijk op de grote klok. Vijf over vijf is het en Tom’s trein kwam om vijf voor al aan. Hij is toch geen tien minuten bezig het station uit te komen? Tenzij hij natuurlijk bloemen voor me aan het kopen is. Nee, dat is te optimistisch. Hij moest vast plassen en er staat een rij bij de wc’s op spoor 1.
Zo verstrijken er nog vijf lange minuten waarin ik al turend in de verte warme adem in mijn handschoenen blaas. Ik kan hem toch niet gemist hebben? Ik sta precies aan de goede kant. Hier moet hij langs komen. Tenzij… Tenzij hij de tram heeft gepakt. De tram. Daar heb ik helemaal niet aan gedacht. Iedereen pakt met dit weer de tram. De moed zakt me in de platte schoenen.
‘Zeg ik heb nog meer te doen,’ meldt de koetsier. Ik zeg niets terug en stuur Tom een sms. Ik loop hiermee het risico dat mijn hele plan in de soep loopt, maar het ongeduld van de koetsier maakt me nog zenuwachtiger dan ik al ben. <Waar ben je?> Ik heb meteen een antwoord terug. <Loop op de Prinsengracht. Zo bij je. X>
Dus toch. Gelukkig. Ik heb hem gemist. Maar alles beter dan de tram. ‘Meneer, we moeten naar de Prinsengracht. Snel.’ ‘Dat gaat je wel kosten,’ gromt hij. ‘Hoeveel dan?’ ‘Waar moet je precies zijn?’ ‘Geen idee. Daar waar we hem tegenkomen. Maar hoe sneller we vertrekken, hoe minder ver hij is,’ ik praat snel in de hoop dat de man vlug zijn ei legt over de prijs. ‘Dertig euro,’ besluit de koetsier. ‘Minstens.’ Ik voel in mijn zak aan mijn briefje van vijftig. De vijftien euro die we hadden afgesproken voor de rit naar het station en weer terug naar de Dam, was goed te doen. Dertig euro is eigenlijk niet grappig meer. ‘Nou vooruit. For the sake of the joke. Ik betaal u dertig. Waar we hem ook tegenkoment. Niet meer. Ik wil nog wel een wijntje kunnen drinken. Dat snapt u toch wel?’ De man had niet al te enthousiast gereageerd toen ik vertelde over mijn ludieke plan, dat nu ineens niet meer zo ludiek lijkt. Medeleven van hem kan ik wel op mijn buik schrijven. ‘Dertig?’ ‘Ja, en een extra aai voor het paard.’ ‘Hmmm,’ bromt hij. Kom op man, geef een beetje mee. ‘Zei je wat?’ ‘Nee hoor. Doet u het? Hebben we een deal?’ ‘Vooruit.’
‘Geweldig, waar wachten we nog op?’ Omdat de dikke billen van het paard te ver weg zijn, geef ik de koetsier een klop op zijn schouder. ‘In volle draf vooruit!’ Hij geeft het paard de teugels. Ik klik met mijn tong zo hard als ik kan en daar gaan we; hobbelend en klotsend in de richting van de Prinsengracht.




















Dorine | 21/12/10 | 21:08
Je houdt de spanning er wel in!