maa29/112010
robin
XXIII poes en spiderman
Toen Robin De Amerikaan vorige week op internet zocht vond ze een album van hem en zijn vriendin.
‘Hé poes,’ hoor ik achter me. Vanavond lok ik deze benaming uit. Ik heb mijn staart laten groeien. Een diadeem met zwarte oren op. Een strikje om mijn nek. En neus en snorharen met oogpotlood getekend. ‘Hoi, Spiderman,’ zeg ik. ‘Even kijken of Peter Parker echt zo’n babyface heeft.’ Ik pak het masker van onder vast en trek het een beetje omhoog. Peter blijkt Tom. Volwassen geworden en flink gegroeid sinds ik hem op mijn zeventiende voor het laatst zag, maar nog altijd kleiner. Ik kan mijn verbazing nauwelijks verbergen. ‘Tom. Dat is lang geleden. Wat doe jij op dit verkleedfeestje?’ Het moment dat de woorden mijn mond uit rollen bedenk ik hoe cliché ze zijn. ‘Zelfde als jij. Hoe is het met je poes?’ vraagt hij grijnzend. ‘Mijn poes is wat ouder geworden, maar ze leeft nog steeds.’ Ha, heel gevat prijs ik mezelf in gedachten. ‘Dat is waar ook. Die rooie, ik herinner hem nog,’ lacht Tom. ‘Haar,’ verbeter ik. ‘Oh ja. Haar. Bijzondere poes omdat de meeste rode katten katers zijn. Wil je een glaasje melk?’ Ik kijk hem vanonder mijn nepwimpers heel serieus aan: ‘Melk is slecht voor katten. Doe maar een wijntje. Droog. Wit.’
Aan de bar halen we herinneringen op van vroeger. Over de avond dat we drie kwartier op zijn scootertje door de kou naar zijn huis reden omdat zijn ouders op vakantie waren. De avond dat hij van schattig jongetje veranderde in een man die ik gewoon voor vol aan kon zien. ‘Ons geheimpje is nog steeds ons geheimpje,’ fluistert hij. ‘Serieus? Heb je het ze nooit verteld?’ Ik wil er zeker van zijn dat hij het voor zich heeft gehouden. ‘Het is jaren geleden. We waren kinderen,’ dring ik aan. Hij schudt zijn hoofd: ‘Ze weten van niets.’
Als ik de volgende ochtend wakker word en het lampje naast het bed aanknip staan mijn snorharen op het witte kussensloop gedrukt. Als ik opsta voel ik mijn hersenen droog achter mijn schedel kloppen. In de woonkamer zijn de gordijnen nog dicht dus ik moet op de tast naar de badkamer. Mijn spiegelbeeld is niet mals. De kittige poes is veranderd in een zwarte kat die onder een vrachtwagen heeft gelegen. Ik kalefater mijn gezicht op met een beetje water en zeep. Poets mijn tanden met een blauwe tandenborstel en ruik aan mijn haar. Rook. Ik zet het badkamerraam op een kiertje. Buiten hoor ik een moeder naar haar dochter gillen: ‘Kelly. Hier komen. Nu.’
Kelly. Het zal je naam zijn. Bijna net zo stom als Courtney. Zou De Amerikaan al in Nederland zijn? Hij heeft me nog twee keer gemaild, maar ik heb op advies van Mees niks meer van me laten horen.
‘Poes, wat wil je ontbijten?’ Ik ben zo hardnekkig bezig de laatste teksten van De Amerikaan voor de geest te halen dat ik schrik van Tom die zonder waarschuwende voetstappen in de badkamer staat. ‘Jezus je laat me schrikken man,’ lach ik met kiespijn. ‘En kijk even naar me, ik ben geen poes meer, maar een verzopen kat.’ Tom lacht: ‘Ah joh, kijk naar mij. Ik ben ook niet meer in staat van flat naar flat te slingeren. Eitje?’ We ontbijten. Tom is vrolijk en praat veel. Maar ik ben er niet helemaal bij. De gedachte dat De Amerikaan misschien al in Nederland rondloopt zit me niet lekker.



















