don30/092010
marleen
hebberige wijven
Marleen Janssen (43) voelt zich soms twintig en soms tachtig. Ze is dol op brommers, schapen en meneer Janssen.
Ik heb al diverse verheffende stukken geschreven voor de maand december. Dat zijn artikelen voor kranten en tijdschriften over mooie onderwerpen. Vergeving natuurlijk en vrijgevigheid en tolerantie en naastenliefde, want dat zijn woorden die passen bij de decembermaand.
Zelf ben ik gewoon inhalig. Ik houd van kopen en ik kom er rond voor uit: ik koop mijn geluk. Laatst zei ik dat hardop op een feestje. De reacties waren niet van de lucht. De mannen bromden achterdochtig, de vrouwen sloegen een hand voor hun mond. Er waren er die kreetjes slaakten waaruit bleek dat ik iets heel erg smerigs had gezegd. Ik vond het raar, want die schuddende hoofden en afkeurende geluiden waren allemaal piekfijn gekleed en goed geschoeid. Ze reden ook allemaal in grote, penisverlengende auto’s. Wie was er nou gek?
Nee, dan de Amerikaanse toeristen die Amsterdam bevolken. Die komen er gewoon rond voor uit dat ze alles willen hebben.
Ik liep gisteren de spulletjeswinkel binnen voor een cadeautje. Ik zette mijn kekke plastic boodschappentas op de grond voor een stelling met allerhande prullaria en struinde wat rond. Het was rustig in de zaak. Tot er ineens een kudde krijsende Amerikaanse wijven de winkel binnen stroomde. Ze wierpen zich met razend enthousiasme op de koopwaar. Ik zag dat ze allemaal identiek gedrag vertoonden: ze strekten hun handen uit, grepen iets beet (een vaas, een beker, een slabber, een speelgoedje) en gilden: ‘So sexy!’ En: ‘That lovely!’ De laatste drie vrouwen konden nergens meer terecht, maar ook hun handen staken grijpgraag naar voren. Daar zagen ze hun prooi: ze stortten zich op mijn boodschappentas. Ik was zo verbouwereerd dat ik niet reageerde. ‘Aaaaaaaah,’ gilden ze met rode koppen, ‘that cute!!!’ De eerste rukte aan het hengsel van mijn tas en greep de zak Japanse chips die bovenop lag. De tweede pakte mijn groene sjaal en de derde had de zak met brood te pakken. Dat was het moment waarop ze ontdekten waar ze mee bezig waren.
Ik lachte, zij bloosden van schaamte en putten zich uit in dertigduizend excuses. Dat was helemaal niet nodig, want ik was gewoon een soortgenootje. Ik vluchtte daarna wel de winkel uit. Want dat heb je met die inhalige wijven, die slaan hun klauwen in je en laten nooit meer los. Ze bleven maar gillen over mijn tas en waar ik die vandaan had. Ja, toen werd het toch een tikkie gênant.













