don24/062010
marleen
enge gnoom
Marleen Janssen (43) voelt zich soms twintig en soms tachtig. Ze is dol op brommers, schapen en meneer Janssen.
‘Hij zit nu achter je,’ zei mijn zus. Ze keek me niet aan, maar loerde tussen de poten van mijn stoel door. Ze sprak zacht en geconcentreerd. ‘Hij trekt zich nu omhoog aan de leuning.’ Ik schoot naar voren en zat verstijfd. Er ging een lichte trilling door de stoel, ik voelde dat ik ondiep ademde en dat mijn rug nat was. ‘Wat doet-ie?’ fluisterde ik. Ik staarde recht voor me uit alsof ik een heel boeiend affiche aan de cafémuur bestudeerde. De muur was leeg. Ik wist dat ik niet op mocht staan. Als ik op zou staan, zou de stoel kantelen en de gnoom naar achteren vallen.
Gnoom. Wat schandalig dat ik dat dacht. Maar het was een gnoom. O, het is vreselijk dat ik het moet zeggen, maar de man was een soort quasimodo. Hij had een mooi gezicht. Regelmatige trekken, donkere ogen, een hip half baardje. Zijn armen waren gebruind en gespierd en staken uit een hagelwit hemd met daarover een zwart vestje. Maar dan. Er was iets heel erg verkeerd met zijn benen. Hij had onderbenen zo dun als elektriciteitspijpjes. Hij kon er niet op staan. De man bewoog zich razendsnel voort als een kikker, op zijn hurken.
Het liefst had ik er een uitgebreide studie van gemaakt. De beentjes misschien wel aangeraakt en hem gevraagd hoe dat nou zo gekomen was. Maar mijn moeder leerde ons al vroeg NOOIT te staren naar mensen en iedereen – lam, blind, met schubben, vissenstaart of drie hoofden – te benaderen als waren zij normaal. Je kunt mij rustig loslaten in een freakshow, ik doe alsof er niets aan de hand is.
Maar zo’n gnoom moet natuurlijk niet aan mijn stoel gaan hangen. Ik voelde hem achter me staan. Ik meende zelfs zijn adem in mijn nek te voelen. Ik bleef zitten. Ik móést blijven zitten. Nu opstaan zou een grote afwijzing zijn. ‘Ik denk dat het kinderpolio is geweest,’ fluisterde mijn zus. ‘Kinderpolio?’ antwoordde ik. ‘Krijg je daar zulke misvormingen van?’ We waren in Portugal, ze kenden hier natuurlijk geen inentingen in schone peuterspeelzalen door witgekapte wijkverpleegsters. Dit was een arm derdewereldland aan de rand van Europa. ‘Polio of aangeboren,’ zei mijn zus. Ze is zuster, dus ze kan het weten. ‘Waarom zit jij zo raar op je stoel?’ vroeg mijn moeder terwijl ze haar cappuccino terugzette op het tafeltje. ‘Ja, die man…’ stamelde ik. ‘Welke man?’ antwoordde mijn moeder en terwijl ze het zei, zag ik vanuit mijn linkerooghoek de gnoom tweehonderd meter verderop op de stoeprand zitten. Ik keek achterom en zag niemand aan mijn stoel hangen. Mijn zus krijste van het lachen. ‘Je was bang, hè?’ gilde ze. ‘Je was écht bang!’














Eva | 26/08/10 | 22:48
LOL ik rol hier over de vloer van het lachen. Hoe verzin je het!